Amsterdamse en andere Nederlandse bouwers van automatische muziekinstrumenten


Sinds een aantal jaren beschikt het museum over enkele cilinders, die gehoord hebben bij een salonorgel van rond 1800. Het onderzoek naar de herkomst ervan heeft allerlei interessante wetenswaardigheden opgeleverd.


De cilinders bevatten muziek van Mozart en J.W. Wilms. Muziek van Mozart kan gedurende lange tijd en op veel plaatsen op muziekcilinders zijn genoteerd. Meer bijzonder is het muziek te vinden van Johann Wilhelm Wilms (1772-1847). Hij was van Duitse afkomst, maar kwam in 1791, op 19 jarige leeftijd, naar Amsterdam. Die stad beviel hem zo goed, dat hij besloot hier te blijven. Dankzij zijn veelzijdige muzikale talenten was hij al gauw een vooraanstaand persoon in het Amsterdamse muziekleven. Hij is tegenwoordig nog het meest bekend als componist van het vroegere Nederlandse Volkslied ‘Wien Neerlandsch bloed’ (1816; op tekst van Tollens).

De cilinder met muziek van Wilms bevat een ‘Sonate’ van zijn hand. Een aantal van zijn sonates verschenen in druk, de meeste in de jaren 1804-1814. Zijn eerste sonate componeerde hij in 1793.

Het lijkt niet erg waarschijnlijk, dat een orgelbouwer elders in het land, of in het buitenland een sonate van deze Amsterdamse componist op een cilinder voor een orgel zou gaan noteren. Deze zijn naar alle waarschijnlijkheid in Amsterdam gemaakt, rond 1800. Een inspectie van het instrument (een mooi salonorgel in een Empire meubel) leverde geen gegevens op over de bouwer ervan.


Daarom was het nuttig een inventarisatie te maken van de bouwers van dergelijke instrumenten in Amsterdam. De meest bekende van hen, en tegelijk een geniaal instrumentmaker was Dietrich Nikolaus Winkel. Van hem zijn allerlei instrumenten bekend. De meeste daarvan zijn thans aanwezig in het Museum Speelklok in Utrecht. Het meest bijzonder is zijn Componium, dat gelukkig bewaard is gebleven en in het MIM in Brussel staat. Het Componium is meer dan een gewoon salonorgel: het instrument kan met twee cilinders tegelijk spelen, zodat een thema met variaties, dat op de ene cilinder is genoteerd, in wisselwerking met de notatie op de andere cilinder eindeloos verder gevarieerd kan worden. In theorie kan het instrument vele miljarden jaren doorspelen zonder ooit ‘in herhaling’ te vervallen.


Winkel werd geboren in Lippstadt in 1777 en ‘emigreerde’ rond 1800 naar Amsterdam. Daar moet hij in de leer gekomen zijn bij een zekere Leib die ook orgelbouwer was. Wanneer hij ‘voor zichzelf begon’ is niet zeker, maar het eerste instrument dat door hem gesigneerd is, dateert uit 1810. Hij stierf in 1826 in zijn huis aan de Reguliersgracht.


Instrumenten van Winkel:














1810: Salonorgel met de bijnaam ‘de Lady’


25 houten pijpen + 12 bellen


bij het orgel zijn 5 cilinders

In 1814 deed Winkel een belangrijke uitvinding die leidde tot de Metronoom. Oudere tijdmeters voor muziek werkten met een slinger als in een uurwerk. dat leidde tot onbruikbare, grote apparaten, omdat de slinger voor langzame tempi ongeveer twee meter lang moest zijn. Winkel bedacht een zeer korte slinger met twee gewichtjes, een vast en een verstelbaar tegengewichtje. De Weense instrumentenbouwer Johann Nepomuk Maelzel, die juist in november 1814 in Amsterdam was om zijn bekende Panharmonikon en zijn mechanische Trompetter te demonstreren, ging vanzelfsprekend ook op bezoek bij zijn Amsterdamse collega Winkel. Daar zag hij het prototype staan van Winkels nieuwe vinding. Maelzel vroeg enkele maanden later in Parijs patent aan op deze vinding en wist daarmee een enorm commercieel succes te behalen. Ondanks het feit, dat Winkel meermalen in het gelijk gesteld werd, dat de vinding, waarop de metronoom van Maelzel gebaseerd was, inderdaad door hem gedaan was, heeft hij zelf daar nooit de vruchten van kunnen plukken. Ook nu nog wordt de metronoom vaak beschouwd als een uitvinding van Maelzel.

In 1816 bouwde Winkel een cilinderorgel in de vorm van een secretaire. Dit instrument werd in 1929 aan het Rijksmuseum geschonken. Oorspronkelijk moet bovenop een pendule gestaan hebben, die het orgel op gezette tijden liet spelen. Dit instrument heeft drie rijen orgelpijpen, een trommel en een triangel.


Bij dit orgel zijn drie cilinders (waarvan een van iets later datum)

Het instrument met de bijnaam ‘de freule’ dateert uit 1819. Het heeft tweemaal 32 pijpen. Het werd geschonken aan het museum in Utrecht door de familie Six.


Bij dit orgel zijn zes cilinders.

Winkel’s beroemde Componium dateert uit 1821, maar hij zou er zes jaar aan gewerkt hebben. Het werd in december 1821 in Amsterdam tentoongesteld, maar kreeg daar betrekkelijk weinig aandacht. Waarschijnlijk heeft Winkel het instrument niettemin goed kunnen verkopen aan twee Franse zakenlieden, die het vanaf december 1823 in Parijs tentoongesteld hebben tot ca. 1826. Het instrument was binnen korte tijd wereldberoemd. In vele kranten en tijdschriften kon men verslagen lezen over dit uitzonderlijke muziekinstrument.

Dan raakt men toch langzamerhand een beetje uitgekeken op dit muzikale wonder. Wellicht had dit te maken met het feit, dat de bouwer inmiddels overleden was, en er nauwelijks iemand te vinden was, die het goed kon onderhouden. Ook was het repertoire van het instrument, afgezien van de mogelijkheid eindeloos te variëren op hetzelfde thema, nu eenmaal niet zo groot, dat de bezoekers steeds weer bleven terugkomen.  Het instrument werd verkocht aan een speculant, die het verscheepte naar Londen om het daar te laten spelen. Dit was in 1830. Door allerlei omstandigheden werd deze onderneming geen succes en na terugkomst in Frankrijk belandde het in een opslagloods, waar het verval begon.


In desolate toestand werd het jaren later gekocht door een Franse bewonderaar van Winkel en zijn Componium, die de hulp inriep van Jean Eugene Robert-Houdin, om het instrument weer spelend te maken. Deze Robert-Houdin werd later beroemd als illusionist en bouwer en bedenker van allerlei goocheltrucs en wonderlijke apparaten. Het lukte hem weliswaar het apparaat weer in elkaar te krijgen, maar er zijn geen aanwijzingen dat het ooit nog goed heeft kunnen spelen.


Na lange tijd werd het instrument overgenomen door de beroemde Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll, die het rond 1885 aan een Belgische verzamelaar verkocht. Vandaar belandde het in de collectie van het Brusselse instrumentenmuseum. Er zijn zeven cilinders bij dit instrument bewaard gebleven.

Het laatste instrument dat door Winkel gebouwd werd stamt uit 1826. In de nauwkeurige boedelbeschrijving die opgesteld werd na de dood van Winkel wordt een instrument genoemd waarbij drie cilinders waren. Dit werd getaxeerd op niet minder dan 1800 gulden. Ter vergelijking: het huis van Winkel op de Reguliersgracht werd verkocht voor maar twee keer zoveel: 3500 gulden!


Waarschijnlijk betreft het hetzelfde instrument, dat later eigendom was van de familie De Beaufort, die het aan het Utrechtse museum schonk.

Bij dit instrument zijn thans 4 cilinders; een daarvan zou er dan later bijgemaakt moeten zijn.

Behalve de bovenstaande instrumenten zijn er nog berichten over andere door Winkel gebouwde instrumenten, maar omdat twee van de bekende instrumenten zonder het bijbehorende meubel bewaard zijn gebleven is het niet goed te bepalen of niet toch een van bovenstaande instrumenten bedoeld worden.


1834: Een door den beroemden Winkel vervaardigd uitmuntend Muzijkstuk, spelende zoo ouvertures, aria’s en variatien als symfonien, door de voornaamste Componisten te zamengesteld, besloten in een slangen- met ebbehout ingelegd vierkant kastje. Nagelaten door de heer Jacob van Beeck Vollenhoven.

Interessant is het, dat bij de dood van Winckel (8 jaar daarvoor) Jan Rich. Vollenhoven nog fl.98,80 aan Winkel verschuldigd was. Was het instrument door deze familie op afbetaling gekocht?


1837: Een welluidend, zuiver toongevend Mechaniek Muzikaal Speelwerk, vervaardigd door Winkel te Amsterdam, met twaalf onderscheidene, daarbij behoorende cilinders, besloten in twee fraaije gepolitoerd Maghonijhouten Kasten. Nagelaten door Jacob Gerard van der Meulen.


1849: Een mechaniek Orgelwerk met 10 rollen, van D.N. Winkel te Amsterdam.


1863: Een uitmuntend Fluit Orgelwerk door den bekenden Winckel, in mahoniehouten kast, benevens 11 rollen, waarop verschillende aangenaam luidende muziekstukken. Nagelaten door mevr. S.C. Six.

Wellicht is dit hetzelfde instrument als ‘de freule’, waarvan in dat geval 5 cilinders plus de mahonie kast zijn verloren gegaan.

Ook Six was nog geld verschuldigd aan Winkel (fl. 9,80).


1867: Een voortreffelijk Fluit-Orgelwerk met 9 rollen, door den beroemden Winckel.


1921: Een orchestrion (Flötenspielwerk) met 11 muziekrollen, gesigneerd Weckbrodt & Winkel te Amsterdam, ca. 1812.

De naam Weckbrodt is nergens terug te vinden.


Nergens in de literatuur over Winkel is iets te lezen over zijn ‘voorganger’ Leib.